Actualiteit

Interview met onderzoekster Kimberley Mouvet over taalontwikkeling bij dove kinderen

Terug naar overzicht

Marieke Kusters:
Hallo Iedereen! Wij, Fevlado, verwelkomen Kimberley Mouvet. Kimberley heeft onlangs haar doctoraat behaald. In haar doctoraat heeft zij onderzoek gedaan naar dove kinderen en hoe zij taal verwerven, ook hoe de Vlaamse Gebarentaal verworven wordt.  Dat onderzoek is ontzettend belangrijk voor de dovengemeenschap en voor alle dove kinderen, daarom zijn wij met Fevlado verheugd om Kimberley te mogen uitnodigen voor een interview, zodat jullie hierover kunnen leren.
Welkom Kimberley, kan je een beetje vertellen over jezelf?
 
Kimberley Mouvet:
Mijn naam is Kimberley Mouvet, ik heb taal en letteren gestudeerd aan de Universiteit Gent, meer specifiek Grieks en Engels. Het is mijn liefde voor het Grieks die mij tot Vlaamse Gebarentaal heeft gebracht. In mijn laatste jaar kon ik het vak Vlaamse Gebarentaal volgen bij Professor Van Herreweghe, daar werd duidelijk dat wanneer dove kinderen in Vlaanderen les zouden willen volgen in hun eigen taal, dat enkel in Kasterlinden kan en daar kunnen ze geen Grieks studeren. Dat was voor mij een zeer gek idee. Waarom zouden dove kinderen immers geen Grieks kunnen? Ik zag daar het probleem niet en er is daar ook helemaal geen probleem en daardoor ben ik mij gaan verdiepen in Vlaamse Gebarentaal in de gebarenkring van Brugge en heb ik de taal geleerd van Pascal Colasse in Torhout. In de gebarenkring kreeg ik dit naamgebaar, omdat mijn haar asymmetrisch geknipt is. Korter links dan rechts. Ik ben blij met dat naamgebaar. Op die manier ben ik dan verder gegaan rond gebarentaal en kreeg ik de vraag van Prof Van Herreweghe of ik het zag zitten om een doctoraat te maken over de taalontwikkeling bij dove kinderen, zowel in gebarentaal als in het Nederlands. In eerste instantie twijfelde ik toch wel een beetje, maar toen zei een kennis van mij: "Die dove kindjes hebben jou nù nodig. Je mag daar niet te lang mee wachten." Dat was ook waar. Zelfs vandaag heb ik nog het gevoel dat niemand het had gedaan als ik het niet had gedaan.
 
Marieke:
Juist! En dan over jouw onderzoek. Wat heb je juist onderzocht en op welke manier heb je dat gedaan? Kan je daar iets over vertellen?
 
Kimberley:
Eerst hebben we geprobeerd om een aantal gezinnen te benaderen via een toen nog bestaand netwerk, maar dat lukte niet zo goed, dus zijn we via revalidatiecentra gegaan om ouders te vinden met dove kinderen van ongeveer 6 maanden oud. Zo hebben we uiteindelijk 13 gezinnen gevonden waar we de kinderen op 6, 9, 12, 18 en 24 maanden hebben kunnen onderzoeken. Op die verschillende leeftijden zijn we langs geweest en hebben we interviews gedaan met de ouders, met de moeders meer specifiek, hebben we videomateriaal kunnen verzamelen en ook een aantal testen kunnen meegeven. Op die manier konden we kinderen longitudinaal volgen, dus gedurende die 5 momenten, maar ook verschillende kinderen vergelijken op één leeftijd. Op deze kwalitatieve manier zijn we tewerk gegaan, samen met mijn collega Liesbeth Matthijs. Zij heeft bekeken hoe de band tussen moeder en kind psychologisch werkt en ik heb gekeken hoe dat communicatief werkt en hoe dat een band heeft met de taalontwikkeling in zowel het Nederlands als in Vlaamse Gebarentaal.
 
Marieke:
Voor jouw onderzoek heb je kinderen gefilmd en een taaltest gedaan, daarnaast heb je ook interviews afgenomen. Wat is daar nu het resultaat van, wat komt daaruit naar voren?
 
Kimberley:
Wij hebben gezien dat er een relatie bestaat tussen hoe ouders zich voelen, zowel ten opzichte van hun kind als ten opzichte van taal, en het aanbod dat ze kunnen geven. Eigenlijk begint het nog vroeger. Als ze bij het revalidatiecentrum aankomen en ze krijgen daar NIET de informatie dat Vlaamse Gebarentaal een positief iets zou kunnen zijn voor hun kind, net zoals Cocleaire implantaten (want dat is wat ze vaak horen, je moet je kind een cochleair implant geven, zodat hij alle kansen kan krijgen), maar dat geldt evenzeer voor Vlaamse Gebarentaal.
Als de ouders die informatie niet krijgen en ze voelen zich niet zo goed rond het feit dat hun kind doof is, is het zeer moeilijk voor hen om de stap te maken naar Vlaamse Gebarentaal, gebaren of visuele elementen. Wanneer ze de informatie wel krijgen, is het ook belangrijk dat er wordt meegegeven hoe ze die gebaren kunnen aanbrengen want ... Kimberley trekt de aandacht van Marieke. Nu kan ik gebaren meegeven aan jou, als jij kijkt naar mij. We zien dat sommige ouders zich heel hard inzetten om Vlaamse Gebarentaal te verwerven, dus niet alleen de gebaren maar ook de grammatica en de dovencultuur, maar dan minder aandacht kunnen geven aan hoe ze die moeten doorgeven en daar gaat het dan vaak mis. Kinderen kunnen niet reageren op iets wat ze niet gezien hebben en dan raken de ouders ook gedemotiveerd. Terwijl ouders die iets minder tijd kunnen steken in Vlaamse Gebarentaal, maar ook visuele communicatiestrategieën meekrijgen, meer succes hebben. Blije ouders creeëren blije kinderen, creeëren meer taalmogelijkheden. Dat is de grootste bevinding van het doctoraat. Als ouders een minimum aanbod van Vlaamse Gebarentaal adequaat, dus effectief binnen krijgen bij het kind, dan heeft dit een positieve invloed op hun woordenschatontwikkeling in het algemeen, niet alleen in het Nederlands of niet alleen in Vlaamse Gebarentaal en op de grammaticale ontwikkeling. De kinderen kunnen meer uitdrukken met dezelfde woordenschat, ze kunnen bijvoorbeeld zeggen:"Daar is een cake en ik wil daar een stuk van" in 1 zin of 1 woord en dat blijkt achterwege te blijven voor kinderen die geen Vlaamse Gebarentaal of visuele elementen krijgen aangeboden.
 
Marieke:
Dat betekent dus dat jouw onderzoek zwart op wit bewijst dat dove kinderen die een aanbod Vlaamse Gebarentaal krijgen, daar voordeel uit halen?
 
Kimberley:
Dat klopt en interessant genoeg is die vaststelling ook gemaakt bij gesproken talen. Als een kind gesproken Nederlands en gesproken Frans zal aangeboden krijgen - en dat wordt trouwens gestimuleerd, het is goed als kinderen 2 talen aangeboden krijgen- dan kunnen ze meer dingen gaan uitdrukken, maar als het gaat over  Vlaamse Gebarentaal en gesproken Nederlands, is er plots een probleem. Terwijl het principe nog altijd hetzelfde is.  Het zijn nog altijd 2 talen. Dat is wat ik zwart op wit heb proberen te bewijzen. Dat Vlaamse Gebarentaal en eender welke andere gesproken taal samen aangebracht kunnen worden, net zoals eender welke andere 2 gesproken talen of 2 gebarentalen en dat het kanaal langs waar het kind die taal binnenkrijgt, via het oog of via het oor, geen verschil maakt.
 
Marieke:
Jouw onderzoek zit er nu op. Zijn er resultaten die je echt nog wil meedelen aan de dovengemeenschap, want ze zijn nu allemaal naar jou aan het kijken.
 
Kimberley:
Ja, er zijn een aantal dingen.
Eerst en vooral, jullie zijn goed bezig! Doe zo verder! Denk maar aan initiatieven als mijn baby is doof, maar ook de cursussen visuele communicatie. Dit is zeer belangrijk zowel voor de dovengemeenschap als voor ouders.
Ten tweede is er ook sprake van het participatiemodel waarbij doven kunnen opgeleid worden als een rolmodel. Het is zeker even belangrijk dat een dove naast een horende persoon kan staan en men kan zien dat doof-zijn niet betekent dat je minder zou kunnen, integendeel! Dat is voor ouders zeer belangrijk, dat ze meteen het gevoel krijgen 'mijn kind is misschien wel doof, maar het blijft nog altijd mijn kind dat evenveel kansen zal hebben als een horend kind'. Wij weten dat natuurlijk allemaal, maar als je als ouder net de diagnose gekregen hebt, gaan er waarschijnlijk allerlei vragen door je hoofd die dan meteen kunnen beantwoord worden door een ervaringsdeskundige.
Wat ik ook zeker wou zeggen is dat je helemaal niet bang moet zijn om thuis Vlaamse Gebarentaal te gebruiken met je horende of dove kinderen. Het Nederlands komt er sowieso wel bij. Het is net de Vlaamse Gebarentaal die moet gestimuleerd en onderbouwd worden. Dat is evenzo voor de dove  ouders. Als jullie daar verder op kunnen inzetten en volledig voor kunnen gaan, zal dat voor horende ouders ook gemakkelijker zijn.
 
Marieke:
Fevlado heeft toevallig het participatieproject binnen gehaald. Dat betekent dat wij nu bezig zijn met het maken van een pakket om doven op te leiden tot rolmodel die dan naar revalidatiecentra kunnen gaan om naar thuisbegeleidingsdiensten te gaan. Op die manier hopen we dat dat een vlotte samenwerking wordt. We zullen zeker jouw adviezen daarin meenemen.
 
Kimberley:
Het is ook belangrijk dat je die mensen kan inschakelen in de opleiding van horende mensen in het werkveld. Nu in Vlaanderen is het zo dat Vlaamse Gebarentaal een keuzevak is voor logopedisten, audiologen, psycholgen, orthopedagogen, ... Dit zijn allemaal horende mensen die in hun professionele leven zullen te maken krijgen met dove volwassenen en kinderen. In Vlaanderen zijn er strenge diploma vereisten voor verschillende beroepen en dat zou dan niet zo zijn voor mensen die in aanraking komen met dove personen, dat is niet correct. Het zou zo moeten zijn dat ze een module volgen waar Vlaamse Gebarentaal en bepaalde gevoeligheden van aspecten rond  cochleaire implantatie besproken worden. Als ze die module niet gevolgd hebben, kunnen ze niet aan de slag gaan in het werkveld, vind ik. Als die dove rolmodellen ook daar ingeschakeld zouden kunnen worden, zou dat heel belangrijk zijn. Dit zou een grote verandering kunnen betekenen voor dove kinderen.
 
Marieke:
Zeker interessant, we nemen het mee binnen Fevlado en gaan kijken hoe we daarmee aan de slag kunnen.
Jouw onderzoek is nu afgerond, je hebt je doctoraat behaald. Aan het einde van zo'n onderzoek zijn er altijd vragen die nog komen bovendrijven, zaken die je toch ook nog zou willen onderzoeken. Is dit bij jou ook het geval? Zijn er zaken die je nog verder zou willen onderzoeken of heb je nog nieuwe ideeën?
 
Kimberley:
Er zijn een aantal dingen. Ten eerste zou ik wel eens willen weten hoe het nu zit met de papa's. Wij hebben een onderzoek gedaan naar de moeder-kind-interactie en dat is natuurlijk zeer interessant, maar we merken op dat vaders soms andere meningen hebben. Misschien zouden zij op een andere manier omgaan met hun kinderen, dat kan alleen maar positief zijn naar het aanbod van Vlaamse Gebarentaal. Dat zou interessant zijn om te bekijken. Ten tweede zou ik ook graag rijkere data hebben, we hebben nu enkel een spelmoment kunnen onderzoeken. We zouden een camera kunnen geven aan bepaalde gezinnen die dan een hele dag zouden kunnen filmen, zodat we verschillende soorten activiteiten kunnen analyseren. Ten derde zou ik graag grotere groepen kunnen onderzoeken, maar dat is niet zo evident in Vlaanderen.  Als we daar tegenover zetten dat gesproken taal onderzoeken wel regelmatig die grote groepen weet te bemachtigen op een of andere manier en dat zij daardoor sterker ogen, lijkt het toch belangrijk om daar echt ons best voor te doen. Los daarvan wil ik ook nog aangeven dat ik graag meer zou bekijken hoe Vlaamse Gebarentaal een uitdrukking is van de dovencultuur. Voor mij is het niet zo dat je Vlaamse Gebarentaal hebt en dat er daar een clubje aan vasthangt, de doven, maar wel dat je de dovengemeenschap hebt die spontaan een taal heeft ontwikkeld. De Vlaamse Dovengemeenschap en hun cultuur komt tot uitdrukking in Vlaamse Gebarentaal en niet omgekeerd. Dat wil ik ook nog eens nader bekijken.
 
Marieke:
Zal je dat effectief doen, die andere pistes onderzoeken?
 
Kimberley:
Ik zal daar mijn uiterste best voor doen, maar ik wil eerst mijn doctoraat omzetten in een Nederlandstalig boek voor een breder publiek. Zodat wat ik gevonden heb verder kan geraken dan het academische niveau en op die manier ook bij horende ouders (die niets te maken hebben met de universitaire wereld)kan geraken en buiten de dovengemeenschap meer bekend kan worden. Dat zou ik willen doen aan de hand van een aantal vragen die naar boven zijn gekomen tijdens mijn onderzoek, zoals: "waar kan ik terecht om Vlaamse gebarentaal aan te leren?" Ik zou op die manier willen aangeven wat de extremen zijn, maar dat er daartussen nog een grote grijze zone is, waarin je je eigen mening kan vormen. Op basis van die grijze zone wil ik ouders zelf hun pad laten kiezen eerder dan dat hen een pad wordt meegegeven vanuit één bepaalde visie.
 
Marieke:
Als dat boek klaar is, zou dat ontzettend goed nieuws zijn om te verspreiden binnen de dovengemeenschap, professionelen, ouders en een zeer breed publiek. Ik wens je daar ontzettend veel succes mee.
Als jullie meer willen weten of lezen over het doctoraat van Kimerbley, kunnen jullie de artikels die ze schreef terugvinden op onze website.
Bedankt Kimberley en bedankt Liesbeth voor het tolken
 
Kimberley:
Graag gedaan.