Actualiteit

Verslag juridisch proces onderwijs: pleidooien voor het Hof van Beroep op 13 april 2011 in Gent

Terug naar overzicht

In maart 2009 dienden vier ouderparen een klacht in tegen de minister van Onderwijs omdat hun kinderen te weinig tolkuren krijgen in de middelbare school. In juli 2009 werd de Vlaamse Gemeenschap door de Rechtbank van Eerste Aanleg in Gent veroordeeld voor discriminatie wegens weigering van redelijke aanpassingen in de vorm van voldoende tolkuren en een toereikende aanvraag- en toekenningsprocedure van de tolkuren. De Vlaamse Gemeenschap ging in beroep tegen deze veroordeling.


Op 13 april 2011 werden de pleidooien gehouden voor het Hof van Beroep. De leerlingen zelf waren allemaal aanwezig, samen met hun ouders. Ook andere geïnteresseerden waren aanwezig. Heel belangrijk omdat de rechter zo kon zien dat veel mensen belang hechten aan deze zaak!

De Vlaamse overheid bleek niet veel nieuwe argumenten te hebben in haar pleidooi. Ze zei opnieuw dat ze wel meer uren wil geven, maar dat er te weinig tolken zijn. Ze benadrukte ook opnieuw haar afhankelijkheid van het CAB: het CAB zou het aantal beschikbare uren berekenen dat zij kunnen uitdelen. Verder benadrukte ze dat ze al heel wat gedaan heeft voor dove leerlingen, dat het aantal tolkuren sinds 1996 met maar liefst 70% is toegenomen en dat de tolken meer verdienen. Ze herhaalde ook opnieuw haar argument dat de rechtbank niet de bevoegdheid heeft om zich uit te spreken over het te voeren beleid van de overheid, en dat als de 3 leerlingen in kwestie meer tolkuren krijgen, andere dove leerlingen hiervan het slachtoffer zouden zijn en minder uren krijgen, wat ook discriminatie is (waarmee ze eigenlijk zelf toegaf dat de 3 leerlingen gediscrimineerd worden).

Meester Joos Roets, de advocaat van de dove ouders, kon daarna zijn pleidooi houden. Zijn argumenten waren o.a. de volgende: De rechtbank kan wel degelijk beslissen wat de overheid moet doen omdat de overheid als instelling ook verplicht is om het Gelijke Kansen en Gelijke Behandelingsdecreet (waarop deze rechtszaak gebaseerd is) te volgen. Het is niet zo dat andere leerlingen slachtoffer zouden zijn van het feit dat deze 3 leerlingen meer uren zouden krijgen. Als de rechtbank beslist dat de 3 leerlingen slachtoffer zijn van discriminatie, dan zijn alle dove leerlingen die te weinig tolkuren krijgen dat, en kunnen zij allemaal naar de rechtbank stappen. De overheid heeft nooit gezegd dat het toekennen van meer tolkuren om budgettaire redenen onhaalbaar zou zijn, of dat de vraag om voltijdse tolkuren onredelijk is. Men blijft vasthouden aan het foute argument van “te weinig tolken” en “we zijn afhankelijk van het CAB”. Voor alle duidelijkheid: er zijn wel degelijk genoeg tolken, op dit moment meer dan 200, (en er zullen er weldra trouwens nog bijkomen door de nieuwe opleiding aan de Lessius hogeschool).Maar er zijn te weinig tolken die ook als tolk willen of kunnen werken en zeker niet in hoofdberoep, omdat de verloning en het statuut slecht zijn. Het feit dat er te weinig tolken dit beroep willen uitoefenen is op zich al discriminerend voor dove leerlingen, en deze situatie moet aangepakt worden. Meester Roets benadrukte ook de financiële gevolgen van deze situatie voor de overheid op lange termijn. Als de Vlaamse Gemeenschap haar verantwoordelijkheid blijft ontlopen, het onderwijs voor dove leerlingen ontoegankelijk blijft en ze blijvend gelijke onderwijskansen ontzegd worden, resulteert dat in veel meer dove mensen die niet of laag zijn opgeleid. Daardoor hebben die het moeilijker op de arbeidsmarkt en moeten ze door de overheid financieel ondersteund worden. De rechter vroeg of er ook andere mogelijkheden waren om middelbaar onderwijs te volgen. Die zijn er niet; dove leerlingen moeten integreren in het horend onderwijs, willen ze een diploma halen waarmee ze kunnen doorstromen naar het hoger onderwijs. De rechter wou ook weten waarom een schrijftolk niet volstaat. Meester Roets verduidelijkte dat een schrijftolk niet werkt in de taal van dove leerlingen, de Vlaamse Gebarentaal. Hij wees op de erkenning van de Vlaamse Gebarentaal door de Vlaamse overheid – een erkenning waarvan weldra de vijfde verjaardag gevierd wordt. Deze rechtszaak gaat over tolken VGT, niet over schrijftolken. Verder werd er nog benadrukt dat België het VN Verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap geratificeerd heeft. Dit Verdrag stelt onder andere dat leerlingen met een handicap recht hebben op dezelfde onderwijskansen als leerlingen zonder handicap.

De rechter had ook veel vragen over het CAB. Het CAB was niet aanwezig op de zitting, maar het viel de rechter op dat de overheid altijd verwijst naar het CAB en zich ook vaak verstopt achter het CAB. Terwijl het CAB gesubsidieerd wordt met overheidsmiddelen, en de overheid dus verantwoordelijk is voor de werking van het CAB. De rechter vond dat hij nog niet genoeg wist over de precieze rol van het CAB, en zou de tolkenbemiddelingsdienst misschien nog willen horen. Meester Roets benadrukte dat de tolkvoorziening binnen onderwijs niet noodzakelijk via het CAB hoeft te gebeuren, en dat de overheid eigenlijk nooit naar alternatieve manieren heeft gezocht om dit te organiseren. Dat de overheid net zo goed een aantal tolken kan aannemen en deze een contract geven om te tolken binnen onderwijs. Het gaat bovendien maar om een 40-tal leerlingen in het middelbaar onderwijs, wat echt niet zo’n grote groep is. De overheid ontwijkt haar verantwoordelijkheid net omdat er geen verplichting is.

Na afsluiting van de pleidooien en debatten vroeg de rechter nog aan de aanwezige leerlingen of zij iets wilden zeggen. Zij hebben kort verteld waarom een tolk in de klas voor hen zo ontzettend belangrijk is. De rechter dankte hen hiervoor, en benadrukte hun belangrijke rol in deze zaak, niet alleen voor hun eigen situatie maar voor alle toekomstige dove leerlingen.

De uitspraak van het Hof van Beroep wordt verwacht begin juni.