Welkom
Klik hier voor het fotoalbum
VEEL GESTELDE VRAGEN - CONTACT - STEUN FEVLADO - LINKS

Fotoalbum

FEVLADO
in je buurt

Lid worden

KALENDER

VERTALEN?

Studenten

Vacatures

Reisverslag  

Terug naar overzicht

De Dove Trekvogels Reisverslag

Reis naar Birma - 1999/2000

Op 13 januari kwamen 14 doven en 3 horende echtparen bijeen in de luchthaven van Zaventem. Walter, onze leider en reisorganisator, met mevr. Irène Maes als tolk voor de doven, zouden de reis in goede banen leiden. Ondertussen kwamen we per vliegtuig via een tussenlanding en een overstap in Frankfurt en Bangkok, eindelijk aan in Yangon (het voormalige Rangoon), de hoofdstad van Birma.

Birma is een land dat 20 maal groter is dan België, met 50 miljoen inwoners. Het viel onmiddellijk op dat het een stad is met veel groen en het was er 38 graden warm. Voor de Birmezen was het op dat ogenblik wintertijd, waar de nachten fris zijn. Zij kennen 3 jaargetijden of seizoenen, na deze winter (het koud seizoen), de moesson met veel regen in april, mei en juni en daarna een warmere of hetere tijd (als de nachten heel warm zijn).

De Birmezen leven over ’t algemeen arm, ze bereiken gemiddeld een leeftijd van 58 jaar voor de mannen en 60 jaar voor de vrouwen. De meesten zijn laaggeschoold. Er is geen universiteit (sedert enkele jaren gesloten). De bevolking leeft onder een streng regime (militaire regering).

Vanaf de jaren ’90 mochten de toeristen Birma doorreizen, maar de Birmezen zelf kunnen moeilijk het land verlaten. De toeristen mogen geen militairen of openbare gebouwen fotograferen. We maakten kennis met het plaatselijk eten als rijst en varianten, soms kregen we ook europees eten voorgeschoteld. Als ontbijt kregen we alleen broodjes, al dan niet geroosterd, met boter en confituur, zonder kaas, wel waren er dagelijks eieren ter beschikking. Voor ons toeristen is dat heel karig, maar toch net genoeg.

De Birmezen kennen geen luxe. Groot en klein probeert hun waren te verkopen en zelfs te ruilen zonder opdringerig te zijn ten aanzien van de toeristen. Waar we onderweg per autocar even halt hielden, was dat als het ware een attractie voor de bewoners. Hele zwermen lachende kinderen bedelden om kleren, schrijfgerief, ballonnetjes enz…

In het binnenland zijn er geen tankstations, maar wel vaten benzine of diesel om over te tappen. We hobbelden op heel smalle wegen, heel vaak aan 30 km per uur. Op vele plaatsen moest men de baan herstellen. Vrouwen doen dat met blote handen, door grote graveerstenen, al dan niet gesorteerd, neer te leggen. Tenslotte drukken de pletwalsen de baan plat. Op het laatst wordt er dan vloeibaar asfalt op gegoten.

Er zijn weinig treinen, soms is er maar één trein per dag in het binnenland. Dagelijks zien we overvolle busjes, eigenlijk zijn het overdekte trucjes, volgepropt met mensen, zelfs rechtstaande achterop en zittende op het dak van de auto’s. Het was onvoorstelbaar.

We namen 3 binnenlandse vluchten met schroefvliegtuigen, omdat sommige wegen zeer slecht zijn.

Onze eerste vlucht vanuit Yangon leidde ons naar Mandalay, de tweede grootste stad van Birma. Daar omheen, in de streek van Pagan, staan er 2100 pagodes op 40 km. Deze merkwaardige oude gebouwen worden als monumenten beschermd en als werelderfgoed erkend.

We bezochten verschillende tempels, waar we steeds onze schoenen en kousen moesten uitdoen. De mensen knielden heel vroom voor de Boeddha beelden van alle maten, grote, kleine of zelfs liggende Boeddha’s van 70 meter en langer. De Boeddhisten werpen veel geld in glazen kasten als offer. Naar het schijnt gaat al het geld naar de militaire regering, die blijkbaar wel zorg draagt voor het onderhoud van de talrijke tempels en pagoden.

Het viel ons op, dat er heel veel monniken zijn, die ‘s morgens om eten bedelen tot rond het middaguur. Slechts 2 maal eten zij tot midden op de dag, om dan te vasten tot de volgende morgen, enkel voor het slapen gaan, drinken ze nog een kom melk. Heel kleine kinderen zagen we soms onderweg, als een processie feestelijk op weg naar het noviciaat, vergezeld van hun ouders, familie of vrienden. De Birmezen aanzien het als vanzelfsprekend, en een grote eer hun kinderen te mogen afleveren aan de kloosters. Voor ons Westerlingen is dat onbegrijpelijk.

Op een namiddag bezochten we een universiteit van de monniken (327 in aantal, die meestal 20 tot 30 jaar oud zijn). Een vriendelijke monnik gaf ons uitleg en beantwoordde onze vele vragen, waaronder ook de vraag waarom het Boeddhisme de gehandicapten niet aanvaardt en als een straf aanziet van het vorig “slechte ?!?” leven. (Het Boeddhisme gelooft in reïncarnatie = herboren worden) Om op die vraag een antwoord te krijgen, werd onze groep bij de rector in hoogsteigen persoon ontvangen. We zaten eerbiedig neer met gekruiste benen en blootsvoets op de grond. Hij antwoordde op onze vraag dat we als gehandicapte mensen gewoon de weg in ’t leven die we nu doorgaan moeten bewandelen (het kan ook niet anders, nota van M.B.). Als afscheid, na een gebed van de rector en een andere monnik, kregen we banaantjes.

Nog een onvergetelijke dag beleefden we op het “Inle”meer, bijna 900 meter hoger in de bergen, met rondom drijvende tuinen die zeer vruchtbaar zijn. Het meer is 19 km lang en 8 km breed. Snelle en smalle boten die als taxi werken, voerden ons naar de verschillende plaatsen rondom het meer. We bezochten werkplaatsen, winkels, markten, een restaurant, een monnikenklooster met kattenshow, en tempels. In een prachtige tempel aan het “Inle”meer stonden er 5 bolvormige, met goud beplakte beeldjes. Oorspronkelijk waren dit Boeddhabeeldjes. Ze waren onherkenbaar geworden door ontelbare stukjes bladgoud die er in de loop van de tijd op waren aangebracht.

Op een andere dag, maakten we een onvergetelijke uitstap naar de bergen, 1100 meter hoog te Kyaitiyo. We verbleven er één nacht en sliepen in paviljoenen (eigendom van de militairen). Sedert 1996 mogen de toeristen de gouden rots, die zeer wankelbaar is, bezoeken (een heiligdom en bedevaartplaats van de Boeddhisten).

Aan de voet van deze berg, stopte onze autocar en moesten we het toiletgerief meenemen naar boven. Met een pick-up (een trucwagentje) waar we met 25 personen opeengepakt zaten, reden we een stuk hoger naar de bergen, om dan tenslotte te voet moeizaam de top te bereiken. Het was een moeilijke wandeling van bijna 45 minuten lang. Enkele leden van onze groep lieten zich op een stoel door 4 Birmezen naar boven dragen. Het was een heel indrukwekkende ervaring.

In de namiddag wandelden we via een groot plateau en een tempel aan de gouden rots, op een zeer moeilijk parcours van slechte paden en wegen, berg op en af naar het eindpunt waar we nog een prachtige zonsondergang konden zien. De 2 jongste dames en oudste man (maar jong van hart) bereikten het doel, samen met enkele begeleiders. (Ondergetekende was niet ver van het doel maar gleed per ongeluk onderweg uit. Ik had me bezeerd aan de knie en ging hinkend terug naar onze groep, pech).

Een paar dagen vòòr het einde van de reis reden we terug naar Yangon. Onderweg zagen we waterbuffels, rijstvelden, een armenschooltje in het binnenland, dat er heel primitief uitzag. De onderwijzeres verdient er 2500 Kyat (+ 350,- Bef.) per maand.

In een fabriekje zagen we jonge meisjes sigaartjes rollen en verpakken in een heel snel tempo. Ginder werken de kinderen vanaf 11 jaar om hun brood of rijst te verdienen. In Birma roken de vrouwen typische sigaren en dragen de mannen lange rokken.

Nog een laatste nacht logeerden we in ons vertrouwde Butterfly hotel, na eerst een afscheidsetentje met modeshow in een restaurant.

Op 27 januari, de laatste dag, bezochten we in de voormiddag de indrukwekkende, met puur gouden plaatjes bedekte Shwedagon Pagode, waar aan de top 5000 diamanten en edelstenen prijkten. De zon scheen als alle dagen fel, het was rond de 40 graden warm. ‘s Middags gingen we pizza’s eten, en brachten we nog een laatste bezoek aan een shoppingcentrum, om onze laatste Kyat bankbriefjes op te doen.

We brachten ook nog een bezoekje aan een kinderkliniek om de geneesmiddelen die we uit België hadden meegebracht, af te leveren. Onze reisleider Walter, is een gekend figuur in Birma (hij was voor de 8ste maal in Birma). Hij speelde dagelijks Sinterklaas voor de arme mensen en kinderen, die heel gelukkig waren iets te kunnen krijgen.

We kochten nog heel vlug een kleine verrassing voor onze tolk Irene Maes, als dank voor haar puik werk als tolk voor de doven.

Om 17u30 verlieten we de stad op weg naar de vlieghaven. We vlogen goddank behoudens en veilig terug naar ons aards paradijs. We prijzen ons gelukkig, als we zien hoe de mensen in Birma soms in zeer armoedige toestand moeten leven.

We kunnen hun voorbeeld volgen en gelukkig zijn, door ons met minder tevreden te stellen.

Marcel Beirnaert.

Top van deze pagina